Vuur

Powerbieb: Lavet

Energiebron: vuur  Categorie: schoonmaken

Lavet

Het lavet is een typisch Nederlandse uitvinding die vooral in de jaren 1950 en 1960 werd toegepast in de sociale woningbouw. Tot 1975 werden er ongeveer 1 miljoen van gemaakt. Het lavet houdt het midden tussen een gootsteen en een badkuip. Het bestaat uit een plateau met een opstaande rand, waarin aan één kant een 40 centimeter diepe kuip zit met een doorsnede van bijna 60 cm. Uniek aan het ontwerp is de multifunctionaliteit. Het lavet vervulde de functies van badkamer en waskamer op een oppervlakte van slechts één vierkante meter.

De kuip was zeer geschikt om (meerdere) kinderen in te wassen, maar ook volwassenen konden met enige behendigheid een zitbad nemen. Er was zelfs de mogelijkheid om staand in de kuip een douche te nemen. De douchewasbak was ook zeer geschikt voor het met de hand wassen van kleding. De fabrikant van de lavet bracht bovendien een wasmachine en bijhorende centrifuge op de markt die in de lavet pastte. Ook voor volktuiniers was de kuip praktisch: zij konden er grote hoeveelheden groenten in schoonspoelen alvorens ze te “wecken”.


Powerbieb: Voetenstoof

Energiebron: vuur  Categorie: verwarmen

Voetenstoof

Voor de komst van centrale verwarming werd er meestal maar één ruimte in huis verwarmd. Er werd echter ook gebruik gemaakt van persoonlijke, mobiele warmtebronnen die elders in huis voor thermisch comfort konden zorgen. De voetenstoof is daar een voorbeeld van. Het was een houten kistje dat aan één kant open was zodat er een kom met gloeiende kooltjes uit het haardvuur kon worden ingezet. De voeten werden op de stoof gezet. Door een deken of een kledingstuk over de benen te draperen kon de warmte langer worden vastgehouden.

De voetenstoof werd ook buitenshuis ingezet, zoals in onverwarmde rijtuigen en treinwagons. Ze werd ook meegenomen naar de zondagsmis, waar ze zelfs kon worden gehuurd.


Powerbieb: Knotboom

Energiebron: menskracht, zon, vuur Categorie: eten, bouwen

Knotbomen

Vandaag oogsten we hout door bomen om te hakken. Maar gedurende het grootste deel van de geschiedenis werd hout geoogst van levende bomen door ze te knotten. Door telkens de stam op een bepaalde hoogte weer af te zagen, ontstaan er elke keer nieuwe scheuten die na een paar jaar kunnen worden geoogst. De stam kan bij het maaiveld worden afgezaagd (een “hakhoutstoof”) of op een hoogte van ongeveer twee meter (de “knotboom”). De knotboom bemoeilijkte het knotten enigszins, maar had het voordeel dat dieren de scheuten niet zomaar konden opeten.

Tot een eind in de twintigste eeuw stonden er in Nederland enorme aantallen knotbomen en hakhoutstoven op en rond boerenerven, rondom akkers en weiden, nabij molens, en langs wegen en waterlopen. Het hout diende als brandhout, maar werd ook gebruikt als “geriefhout” voor het bouwen van allerlei spullen, zoals manden, tonnen, gereedschapsstelen, gevlochten muren, oeverversterkingen en wegfunderingen. Knotbomen en hakhoutstoven leverden ‘s winters ook voedsel voor schapen en geiten. Daartoe werden de twijgen met bladeren en al geoogst en gedroogd. Niet elke houtsoort was geschikt voor elk van deze toepassingen, en dus bestonden pre-industriële houtbeplantingen vaak uit verschillende soorten door elkaar.

Dankzij hun locatie konden knotbomen en hakhoutstoven nog extra functies vervullen, zoals het keren van vee, het voorkomen van erosie, of het beschermen van mensen, dieren of gebouwen tegen wind, zon en regen. Het onderhoud van knotbomen en houtkanten is arbeidsintensief, maar als bomen worden geknot en niet omgehakt, gaat houtproductie niet gepaard met verlies van biodiversiteit. Als boerderijdieren onder knotbomen kunnen grazen en ‘s winters worden bijgevoederd met bladeren, gaat vlees- en zuivelproductie niet gepaard met ontbossing en de ontregeling van het klimaat. Bovendien leverden knotbomen en houtkanten heel snel en regelmatig hout op.