Powerbieb

Powerbieb: Warmtemolen

Energiebron: wind Categorie: verwarmen

Heatgeneratingwindmill2

Ouderwetse windmolens produceerden mechanische energie, bijvoorbeeld voor het zagen van hout of het malen van graan. Moderne windturbines produceren elektriciteit. Er is nog een derde mogelijkheid, en dat is een windmolen die op een mechanische manier warmte produceert. De “warmtemolen” zet de kinetische energie van de wieken om in warmte door het opwekken van wrijving in water. In essentie is een warmtemolen een door de wind aangedreven mixer in een goed geïsoleerde opslagtank gevuld met water. Door de wrijving tussen de moleculen van het water wordt mechanische energie omgezet in thermische energie. Het warme water kan vervolgens door het huis worden gepompt, bijvoorbeeld voor gebruik in de keuken of de badkamer.

In principe had de warmtemolen al honderden jaren geleden gebouwd kunnen worden. De technologie vereist heel eenvoudige materialen: hout en metaal. Maar de eerste referentie duikt pas op tijdens de oliecrisis in de jaren 1970, met name in Denemarken. De Denen bouwden verschillende warmtemolens en commercialiseerden er ook eentje, de Calorius, die tot 3,5 kilowatt warmte kon produceren bij een windkracht van 6 Beaufort. Het was een relatief kleine machine met een rotordiameter van 5 meter en een hoogte van 9 meter.

Direct warmte produceren is goedkoper, duurzamer en efficiënter dan het omzetten van door wind geproduceerde elektriciteit in warmte. Warmtemolens zijn minder complex dan windturbines. Er is geen nood aan een elektrische generator, een transformator of een versnellingsbak. Dat bespaart niet alleen kapitaal en energie maar ook gewicht, zodat de toren minder stevig moet worden gebouwd. Het opslaan van warmte is bovendien veel goedkoper dan het opslaan van elektriciteit. Tot slot is het energieverlies kleiner dan bij een windturbine.


Powerbieb: Optische Telegraaf

Energiebron: menskracht  Categorie: communiceren

Optische-telegraaf

E-mail overklast alle andere communicatiesystemen in snelheid, maar de essentie van de technologie – het over lange afstand versturen van gecodeerde boodschappen – vindt haar oorsprong in het gebruik van rookpluimen, vuursignalen en drums, duizenden jaren voor onze tijdrekening. En ze vormde de basis van een opmerkelijk maar grotendeels vergeten communicatienetwerk dat de komst van het internet heeft voorbereid: de optische telegraaf. Meer dan 200 jaar geleden was het al mogelijk om berichten met de snelheid van een vliegtuig door Europa te versturen – draadloos en zonder dat er elektriciteit aan te pas kwam.

Het eerste optische telegraafnetwerk werd in 1791 ontwikkeld door de Fransman Claude Chappe. Het netwerk bestond uit een keten van torens, die op een afstand van 5 tot 20 kilometer uit elkaar werden geplaatst. Op elk van die torens stonden een houten seinpaal en twee telescopen. De seinpaal kon in 196 verschillende posities worden gezet. Elk van die posities vormde een code voor een letter, een cijfer, een woord of een (deel van een) zin. Op elke toren zat een telegrafist, die door de telescoop in de toren voor hem in de keten loerde. Als de seinpaal daar in een bepaalde positie werd gezet, kopieerde hij die positie op zijn eigen toren. Vervolgens keek hij door een tweede telescoop naar de volgende toren in de keten, om te controleren of zijn signaal door de volgende telegrafist goed werd gekopieerd.

Op enkele decennia tijd werden er zowel in Europa als in de VS continentale netwerken uitgebouwd. Frankrijk had een nationaal netwerk van 530 torens en een totale lengte van bijna 5000 km. Ook Nederland werd in het Franse netwerk opgenomen, met een lijn van Antwerpen naar Amsterdam. Aan het begin van de 19de eeuw was het mogelijk om een kort bericht op een uur tijd draadloos van Amsterdam naar Venetië te versturen. Een paar jaar eerder had een bode te paard daar nog een maand tijd voor nodig gehad. De optische telegraaf had echter beperkingen: zware regenval of laaghangende bewolking konden de werking verstoren, en de infrastructuur werkte alleen overdag. Bovendien was het netwerk voor de meeste mensen niet toegankelijk. Er werd vooral militaire en financiële informatie mee verstuurd, maar bijvoorbeeld ook de winnende nummers van de loterij.


Powerbieb: Velomobiel

Energiebron: menskracht Categorie: reizen

Velomobile

Een velomobiel is een ligfiets met een aerodynamisch koetswerk. Velomobielen hebben meestal drie of vier wielen. De wielen beschikken over ophanging en het koetswerk is uitgerust met achteruitkijkspiegels, koplampen, richtingaanwijzers en stoplichten. Een velomobiel heeft meestal ook bagageruimte en in sommige modellen is ook plaats voor een passagier of een kinderzitje. Kortom, de velomobiel is een soort mini-auto op spierkracht.

Het voertuig biedt twee voordelen tegenover de gewone fiets. Ten eerste zorgt de uitmuntende aerodynamica ervoor dat het voortstuwen van een velomobiel bij hogere snelheden (vanaf 25 km/u) drie tot vier maal minder kracht vergt dan het voortstuwen van een gewone fiets. Die hogere efficiëntie kan worden omgezet in meer comfort (want minder inspanning) of in een hogere snelheid. Ten tweede beschermt het koetswerk de bestuurder tegen weer en wind, zodat het voertuig in alle seizoenen kan worden gebruikt.

Het comfortabele zitje van een ligfiets verdeelt de druk op het lichaam beter dan het zadel van een gewone fiets, zodat er langere ritten kunnen worden ondernomen zonder lichamelijk ongemak. Een velomobiel is bedoeld voor langere afstanden, als alternatief voor de auto, en niet om naar het café om de hoek te rijden. Het voertuig is, net zoals de auto, minder praktisch in de stad.


Powerbieb: Lavet

Energiebron: vuur  Categorie: schoonmaken

Lavet

Het lavet is een typisch Nederlandse uitvinding die vooral in de jaren 1950 en 1960 werd toegepast in de sociale woningbouw. Tot 1975 werden er ongeveer 1 miljoen van gemaakt. Het lavet houdt het midden tussen een gootsteen en een badkuip. Het bestaat uit een plateau met een opstaande rand, waarin aan één kant een 40 centimeter diepe kuip zit met een doorsnede van bijna 60 cm. Uniek aan het ontwerp is de multifunctionaliteit. Het lavet vervulde de functies van badkamer en waskamer op een oppervlakte van slechts één vierkante meter.

De kuip was zeer geschikt om (meerdere) kinderen in te wassen, maar ook volwassenen konden met enige behendigheid een zitbad nemen. Er was zelfs de mogelijkheid om staand in de kuip een douche te nemen. De douchewasbak was ook zeer geschikt voor het met de hand wassen van kleding. De fabrikant van de lavet bracht bovendien een wasmachine en bijhorende centrifuge op de markt die in de lavet pastte. Ook voor volktuiniers was de kuip praktisch: zij konden er grote hoeveelheden groenten in schoonspoelen alvorens ze te “wecken”.


Powerbieb: Voetenstoof

Energiebron: vuur  Categorie: verwarmen

Voetenstoof

Voor de komst van centrale verwarming werd er meestal maar één ruimte in huis verwarmd. Er werd echter ook gebruik gemaakt van persoonlijke, mobiele warmtebronnen die elders in huis voor thermisch comfort konden zorgen. De voetenstoof is daar een voorbeeld van. Het was een houten kistje dat aan één kant open was zodat er een kom met gloeiende kooltjes uit het haardvuur kon worden ingezet. De voeten werden op de stoof gezet. Door een deken of een kledingstuk over de benen te draperen kon de warmte langer worden vastgehouden.

De voetenstoof werd ook buitenshuis ingezet, zoals in onverwarmde rijtuigen en treinwagons. Ze werd ook meegenomen naar de zondagsmis, waar ze zelfs kon worden gehuurd.


Powerbieb: Knotboom

Energiebron: menskracht, zon, vuur Categorie: eten, bouwen

Knotbomen

Vandaag oogsten we hout door bomen om te hakken. Maar gedurende het grootste deel van de geschiedenis werd hout geoogst van levende bomen door ze te knotten. Door telkens de stam op een bepaalde hoogte weer af te zagen, ontstaan er elke keer nieuwe scheuten die na een paar jaar kunnen worden geoogst. De stam kan bij het maaiveld worden afgezaagd (een “hakhoutstoof”) of op een hoogte van ongeveer twee meter (de “knotboom”). De knotboom bemoeilijkte het knotten enigszins, maar had het voordeel dat dieren de scheuten niet zomaar konden opeten.

Tot een eind in de twintigste eeuw stonden er in Nederland enorme aantallen knotbomen en hakhoutstoven op en rond boerenerven, rondom akkers en weiden, nabij molens, en langs wegen en waterlopen. Het hout diende als brandhout, maar werd ook gebruikt als “geriefhout” voor het bouwen van allerlei spullen, zoals manden, tonnen, gereedschapsstelen, gevlochten muren, oeverversterkingen en wegfunderingen. Knotbomen en hakhoutstoven leverden ‘s winters ook voedsel voor schapen en geiten. Daartoe werden de twijgen met bladeren en al geoogst en gedroogd. Niet elke houtsoort was geschikt voor elk van deze toepassingen, en dus bestonden pre-industriële houtbeplantingen vaak uit verschillende soorten door elkaar.

Dankzij hun locatie konden knotbomen en hakhoutstoven nog extra functies vervullen, zoals het keren van vee, het voorkomen van erosie, of het beschermen van mensen, dieren of gebouwen tegen wind, zon en regen. Het onderhoud van knotbomen en houtkanten is arbeidsintensief, maar als bomen worden geknot en niet omgehakt, gaat houtproductie niet gepaard met verlies van biodiversiteit. Als boerderijdieren onder knotbomen kunnen grazen en ‘s winters worden bijgevoederd met bladeren, gaat vlees- en zuivelproductie niet gepaard met ontbossing en de ontregeling van het klimaat. Bovendien leverden knotbomen en houtkanten heel snel en regelmatig hout op.


Powerbieb: Mattenklopper

Energiebron: menskracht Categorie: schoonmaken

Carpet-beater

Een mattenklopper is een huishoudelijk gereedschap om het stof en het roet uit tapijten te kloppen. De mattenklopper werd in de loop van de twintigste eeuw verdrongen door de stofzuiger, maar biedt nog steeds voordelen: in tegenstelling tot een stofzuiger maakt een mattenklopper geen lawaai en zijn er geen fossiele brandstoffen voor nodig. Bovendien kan een mattenklopper van lokaal gekweekte wilgentenen worden gevlochten en is het een biologisch afbreekbaar product.

Het gebruik van de mattenklopper vereist een waslijn of een balustrade om de tapijten over te hangen. De klus gebeurde uiteraard in de buitenlucht. De mattenklopper kon ook voor kleding, kussens, beddengoed en zetels worden ingezet.


Powerbieb: Hijskraan op Menskracht

Energiebron: menskracht  Categorie: bouwen

Oude_19e_eeuwse_foto_met_hijskraan_in_Mechelen_aan_de_Haverwerf

Van in de Oudheid tot aan het einde van de negentiende eeuw werden hijskranen aangedreven door menselijke spierkracht. Elke hijskraan heeft een “mechanisch rendement”: de factor waarmee het geleverde vermogen van de energiebron kan worden vermenigvuldigd. Bij het bouwen van de piramides maakten de Egyptenaren gebruik van onder meer hellingen om grote blokken steen omhoog te slepen. Dat leverde hen een mechanisch rendement op van 2 op 1, want een gewicht schuin omhoog trekken kost maar half zoveel kracht als het verticaal omhoog trekken. Daar staat tegenover dat die kracht over twee keer de afstand moet worden uitgeoefend. Een beter mechanisch rendement gaat dus altijd ten koste van de hijssnelheid.

De Romeinen ontwikkelden hijskranen met katrollen, met een mechanisch rendement van ongeveer 5 op 1. De krachtigste hijskranen op spierkracht ontstonden in de middeleeuwen en waren uitgerust met tredmolens, die een mechanisch rendement hebben van 15 op 1. Bovendien introduceerden tredmolens het gebruik van de beenspieren, die krachtiger zijn dan onze armspieren. Eén persoon kon in een tredmolenkraan een gewicht optillen van ongeveer 3,5 ton. Havenkranen uit de middeleeuwen beschikten vaak over twee tredmolens, die in totaal door vier mensen konden worden bediend. Er kon dan een vracht van 14 ton worden opgetild, vergelijkbaar met het hefvermogen van een moderne bouwkraan. Bij een stapsnelheid van 5 kilometer per uur in het wiel kon een hijssnelheid van 6 meter per minuut worden bereikt.


Powerbieb: Fruitmuur

Energiebron: zon Categorie: eten

Fruitmuur-hoge-resolutie

Een fruitmuur maakt het mogelijk om zonder het gebruik van glas en fossiele brandstoffen vruchten zoals vijgen, perzikken of druiven te telen in het gematigde klimaat van Nederland. Door fruitbomen vlakbij de zuidkant van een dikke muur met hoge thermische massa te plaatsen, wordt een microklimaat gecreëerd waar het tot 10 graden warmer kan zijn. Bovendien beschermt de muur de fruitbomen tegen koude wind uit het noorden. De takken van de fruitbomen werden zo gesnoeid dat ze via een houten raamwerk aan de muur konden worden gehecht. Fruitmuren konden 3 meter hoog en een halve meter dik zijn.

De fruitmuur ontstond halverwege de zestiende eeuw in Frankrijk. Montreuil, een buitenwijk van Parijs, telde in 1870 meer dan 600 kilometer fruitmuren met vooral perzikken. Het doolhof van 300 hectare door elkaar lopende muren was zo verwarrend voor buitenstaanders dat het Pruisische leger rond Montreuil marcheerde tijdens het beleg van Parijs. In Nederland begon de bouw van fruitmuren tijdens de eerste helft van de achttiende eeuw. Er werden unieke vormen bedacht, zoals de slangenmuur. Hoewel hij in feite langer is dan een rechtlijnige muur, bespaart een slingerende muur bakstenen omdat hij sterk genoeg is om slechts één baksteen breed gebouwd te worden.


Powerbieb: Handboor

Energiebron: menskracht   Categorie: bouwen

Drill

Het boren van een gaatje was tijdens het grootste deel van de menselijke geschiedenis een tijdrovende en vermoeiende klus. Voor hout werd eeuwenlang een soort kurkentrekker gebruikt, terwijl het boren in steen gebeurde met een hamer en een beitel. In de middeleeuwen ontstond de U-vormige slingerboor, waarmee voor het eerst een constante boorbeweging mogelijk werd. Met een slingerboor kon de gebruiker extra kracht zetten door borst of buik tegen de boor aan te drukken. Deze handboren waren grotendeels uit hout gemaakt, waardoor ze niet al te stevig waren.

Op het einde van de negentiende eeuw kwam een nieuwe generatie slingerboren op, die uit metaal waren gemaakt. Deze waren veel steviger. Er ontstond ook een nieuw type handboor, met mechanische versnellingen. Daarmee kon de draaisnelheid van de boorkop worden verhoogd. Er was een divers aanbod. In 1915 telde alleen al de catalogus van het merk Millers Falls meer dan 200 verschillende modellen. In 1949 bleven er nog maar dertien van over, in 1981 waren het er nog maar drie.

In de twintigste eeuw werd massaal overgeschakeld naar de elektrische boormachine. Die kan sneller zijn, maar de handboor heeft nog steeds belangrijke voordelen: ze verbruikt geen fossiele brandstoffen of batterijen, maakt geen herrie, is veiliger en gaat nooit kapot.