Eten

Powerbieb: Knotboom

Energiebron: menskracht, zon, vuur Categorie: eten, bouwen

Knotbomen

Vandaag oogsten we hout door bomen om te hakken. Maar gedurende het grootste deel van de geschiedenis werd hout geoogst van levende bomen door ze te knotten. Door telkens de stam op een bepaalde hoogte weer af te zagen, ontstaan er elke keer nieuwe scheuten die na een paar jaar kunnen worden geoogst. De stam kan bij het maaiveld worden afgezaagd (een “hakhoutstoof”) of op een hoogte van ongeveer twee meter (de “knotboom”). De knotboom bemoeilijkte het knotten enigszins, maar had het voordeel dat dieren de scheuten niet zomaar konden opeten.

Tot een eind in de twintigste eeuw stonden er in Nederland enorme aantallen knotbomen en hakhoutstoven op en rond boerenerven, rondom akkers en weiden, nabij molens, en langs wegen en waterlopen. Het hout diende als brandhout, maar werd ook gebruikt als “geriefhout” voor het bouwen van allerlei spullen, zoals manden, tonnen, gereedschapsstelen, gevlochten muren, oeverversterkingen en wegfunderingen. Knotbomen en hakhoutstoven leverden ‘s winters ook voedsel voor schapen en geiten. Daartoe werden de twijgen met bladeren en al geoogst en gedroogd. Niet elke houtsoort was geschikt voor elk van deze toepassingen, en dus bestonden pre-industriële houtbeplantingen vaak uit verschillende soorten door elkaar.

Dankzij hun locatie konden knotbomen en hakhoutstoven nog extra functies vervullen, zoals het keren van vee, het voorkomen van erosie, of het beschermen van mensen, dieren of gebouwen tegen wind, zon en regen. Het onderhoud van knotbomen en houtkanten is arbeidsintensief, maar als bomen worden geknot en niet omgehakt, gaat houtproductie niet gepaard met verlies van biodiversiteit. Als boerderijdieren onder knotbomen kunnen grazen en ‘s winters worden bijgevoederd met bladeren, gaat vlees- en zuivelproductie niet gepaard met ontbossing en de ontregeling van het klimaat. Bovendien leverden knotbomen en houtkanten heel snel en regelmatig hout op.


Powerbieb: Fruitmuur

Energiebron: zon Categorie: eten

Fruitmuur-hoge-resolutie

Een fruitmuur maakt het mogelijk om zonder het gebruik van glas en fossiele brandstoffen vruchten zoals vijgen, perzikken of druiven te telen in het gematigde klimaat van Nederland. Door fruitbomen vlakbij de zuidkant van een dikke muur met hoge thermische massa te plaatsen, wordt een microklimaat gecreëerd waar het tot 10 graden warmer kan zijn. Bovendien beschermt de muur de fruitbomen tegen koude wind uit het noorden. De takken van de fruitbomen werden zo gesnoeid dat ze via een houten raamwerk aan de muur konden worden gehecht. Fruitmuren konden 3 meter hoog en een halve meter dik zijn.

De fruitmuur ontstond halverwege de zestiende eeuw in Frankrijk. Montreuil, een buitenwijk van Parijs, telde in 1870 meer dan 600 kilometer fruitmuren met vooral perzikken. Het doolhof van 300 hectare door elkaar lopende muren was zo verwarrend voor buitenstaanders dat het Pruisische leger rond Montreuil marcheerde tijdens het beleg van Parijs. In Nederland begon de bouw van fruitmuren tijdens de eerste helft van de achttiende eeuw. Er werden unieke vormen bedacht, zoals de slangenmuur. Hoewel hij in feite langer is dan een rechtlijnige muur, bespaart een slingerende muur bakstenen omdat hij sterk genoeg is om slechts één baksteen breed gebouwd te worden.